- Artikel 170, §4, grondwet;
- Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen;
- Decreet 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
- Artikel 51 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening Stad Sint-Truiden, principieel goedgekeurd 17 maart 2017 en 23 juni 2017 en onderworpen aan een openbaar onderzoek van 3 juli tot en met 4 augustus 2017.
Voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2022 wordt ten voordele van de stad een belasting gevestigd op het ontbreken van parkeerplaatsen bij het optrekken van nieuwe gebouwen en bij het uitvoeren van verbouwingswerken, evenals bij het opsplitsen van een gebouw naar meer dan één wooneenheid en bij het wijzigen van de bestemming van de parkeerplaatsen.
De aanslag wordt gevestigd in hoofde van de houder van de stedenbouwkundige vergunning die vanwege het college van burgemeester en schepenen op grond van deze vergunning een afwijking heeft bekomen op de bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening betreffende parkeerplaatsen, meerbepaald artikel 47 van de verordening.
De belasting wordt vastgesteld als volgt:
- 10.000 euro per ontbrekende of niet behouden parkeerplaats
- 500 euro per ontbrekende fietsenstalling
De belasting wordt vastgesteld volgens de regels bepaald in de verordening die van kracht is op het ogenblik van de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
De belasting moet betaald worden binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
De belastingplichtige kan tegen deze belasting een bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, gemotiveerd en ondertekend zijn.
Het bezwaarschrift kan via een duurzame drager worden ingediend indien het college van burgemeester en schepenen deze mogelijkheid voorziet.
De indiening van het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding verstuurd, binnen vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Dit besluit wordt onderworpen aan de bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, zoals gewijzigd.