- Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen;
- Decreet van 30 mei 2008, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Het raadsbesluit van 22 december 2015 betreffende de algemene dienstenbelasting voor gezinnen en bedrijven voor de aanslagjaren 2016 tot en met 2019, wordt opgeheven vanaf 1 januari 2020.
Voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2024 wordt ten behoeve van de stad een jaarlijkse dienstenbelasting geheven.
De belasting is verschuldigd door:
- Elk gezin waarvan de leden ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de stad op 1 januari van het belastingjaar of die effectief en duurzaam verblijven op het grondgebied van de stad op 1 januari van het belastingjaar. Deze belasting is verschuldigd per woongelegenheid.
De belasting is niet verschuldigd indien het bewijs geleverd wordt van een effectief en duurzaam verblijf op het grondgebied van een andere gemeente op 1 januari van het belastingjaar.
- Iedere natuurlijke of rechtspersoon of door elke vereniging, die als hoofd en/of bijkomende activiteit op 1 januari van het belastingjaar een zelfstandig of vrij beroep uitoefent of een commerciële, industriële, landbouw- of dienstverlenende activiteit uitoefent op het grondgebied van de gemeente en door alle rechtspersonen op ons grondgebied, verder bedrijven genoemd.
Onder “gezin” wordt verstaan:
- hetzij een persoon die gewoonlijk alleen leeft
- hetzij een vereniging van twee of meer personen die, al dan niet door familiebanden gebonden, gewoonlijk éénzelfde woongelegenheid betrekken en er samen leven.
De jaarlijkse dienstenbelasting bedraagt per gezin van:
- 1 persoon: 40,00 euro;
- 2 of 3 personen: 44,00 euro;
- 4 of meer personen: 48,00 euro.
De belasting wordt verminderd met 15,00 euro per jaar, voor de belastingplichtige en zijn gezin, voor zover de aangeslagene bewijst dat hijzelf of een lid van zijn gezin op 1 januari van het dienstjaar rechthebbende is op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, o.a.:
- weduwnaars en weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen;
- gerechtigden op maatschappelijke integratie en personen die steun ontvangen van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) die geheel of gedeeltelijk ten laste wordt genomen door de federale Staat;
- gerechtigden op het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of die het recht op rentebijslag behouden of met een inkomensgarantie voor ouderen;
- gerechtigden aan wie een tegemoetkoming aan gehandicapten wordt verleend;
- gerechtigden die sedert één jaar de hoedanigheid van volledig werkloze hebben als bedoeld in de werkloosheidsreglementering;
- rechthebbenden op het omnio-statuut;
- éénoudergezinnen die voldoen aan de inkomensvoorwaarden;
- rechthebbenden op een verwarmingstoelage toegekend door het OCMW.
De belasting is niet verschuldigd voor de leden van het gezin die louter om administratieve redenen in het bevolkingsregister ingeschreven zijn en dus geen verblijf houden op het grondgebied van de stad op 1 januari van het belastingjaar.
Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 180,00 euro voor elke bedrijfseenheid of vestiging waar 1 tot 4 werknemers tewerkgesteld zijn.
De belasting wordt gebracht op:
- 300,00 euro voor elke vestiging of bedrijfseenheid waar 5 tot en met 50 personen worden tewerkgesteld;
- 500,00 euro voor elke vestiging of bedrijfseenheid waar 51 tot en met 300 personen worden tewerkgesteld;
- 670,00 euro voor elke vestiging of bedrijfseenheid waar 301 tot en met 1.000 personen worden tewerkgesteld;
- 1.000,00 euro voor elke vestiging of bedrijfseenheid waar meer dan 1.000 personen worden tewerkgesteld.
Indien de woongelegenheid van het gezin en de bedrijfseenheid een harmonieus geheel vormen en één van de leden van het gezin zijn bedrijfsactiviteit uitoefent in dit gebouw, dan is enkel de overeenkomstige belasting voor bedrijven verschuldigd.
Wanneer de belasting niet betaald is binnen de gestelde termijn worden de regels toegepast betreffende de nalatigheidsintresten inzake de rijksbelastingen op de inkomsten.
De kohieren worden vastgesteld en uitvoerbaar verklaard ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het dienstjaar door het college van burgemeester en schepenen.
Het kohier wordt tegen ontvangstbewijs bezorgd aan de met de invordering belaste ontvanger die onverwijld instaat voor de verzending van de aanslagbiljetten. Deze verzending gebeurt zonder kosten voor de belastingplichtigen.
Het aanslagbiljet bevat naast de gegevens vermeld in het kohier ook de verzendingsdatum, de uiterste betaaldatum, de termijn waarbinnen bezwaar kan worden ingediend, de benaming, het adres en de contactgegevens van de instantie die bevoegd is om het bezwaarschrift te ontvangen, evenals de vermelding dat de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger die wenst gehoord te worden, zulks uitdrukkelijk moet vragen in het bezwaarschrift.
Als bijlage wordt een beknopte samenvatting toegevoegd van dit reglement.
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een belastingaanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete, een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen, Kazernestraat 13 te 3800 Sint-Truiden, dat handelt als administratieve overheid.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning.
De bevoegde overheid of een personeelslid dat door de bevoegde overheid speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en, in voorkomend geval, naar zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel directeur.
Dit besluit wordt onderworpen aan de bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht (artikels 326 tot en met 334) Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, zoals gewijzigd.